Artikelen

Alle artikelen



26 juni 2020. - Voor het bijhouden (monitoring) van populatietrends van bijen worden verschillende methoden gebruikt. Elke methode heeft zo zijn voor- en nadelen. Twee recente studies vergelijken verschillende methoden en baseren aanbevelingen op hun bevindingen. De studies zijn uitgevoerd in Noord-Amerika en Australië, maar we kunnen er ook hier wat van leren. 

De Amerikaanse studie bespreekt drie veelgebruikte methoden voor bijenmonitoring: 1. pan traps (bordvallen, kleurvallen); 2. netvangsten; 3. veldobservaties. De auteurs stellen vast dat pan traps steeds meer gebruikt worden, omdat deze methode weinig arbeidsintensief en makkelijk herhaalbaar is. Zij zien echter een aantal nadelen. Een belangrijk nadeel van pan traps is dat zij een sterk vertekend beeld van de bijenfauna laten zien, omdat bepaalde soorten er veel meer mee gevangen worden dan andere (in veel studies zijn groefbijen oververtegenwoordigd). Een ander nadeel is dat niet duidelijk is in hoeverre de gevangen aantallen correleren met de populatiegrootte. Ook is niet duidelijk welke invloed bloemrijkdom in de omgeving heeft op de aantallen bijen in de pan traps. De onderzoekers stellen voor om pan traps alleen te gebruiken als voornoemde nadelen niet belangrijk zijn voor het doel van de studie. Pan traps kunnen bijvoorbeeld nuttig zijn als aanvullende methode om de totale soortensamenstelling van een gebied vast te stellen. Wanneer abundanties van bijensoorten wel onderwerp van onderzoek zijn, zullen volgens de onderzoekers andere methodes gebruikt moeten worden, zoals merk-terugvangstonderzoek, nesttellingen of tellingen op bepaalde plantensoorten. 

De Australische studie vergelijkt zes verschillende methoden van bijenmonitoring: 1. veldobservaties; 2. netvangsten; 3. 'mobiele tuinen' (verplaatsbare bakken met bloemen om bijen te lokken); 4. pan traps; 5. vlucht interceptie vallen; 6. bijenhotels. De auteurs hebben deze methoden zelf in het veld toegepast en vergeleken. Ze vergelijken hun resultaten vervolgens met informatie uit eerdere onderzoeken. De eerste twee methodes bleken het best te werken: veldobservaties waren het meest effectief in het vaststellen van abundanties, netvangsten scoorden het best in het vaststellen van de soortenrijkdom. De overige vier (meer passieve) methoden deden het aanzienlijk minder goed, met uitzondering van (blauwe) vlucht interceptie vallen, waarin ook vrij veel soorten werden vastgesteld. 

Lees hier de Amerikaanse studie.

Lees hier de Australische studie.