Bijen

Alle artikelen



7 april 2021. - Een onderbouwde richtlijn voor het plaatsen van honingbijkasten op heideterreinen

De dichtheid wilde bestuivers op heidevelden is verder van honingbijkasten waarneembaar hoger dan dichterbij. Aan de hand van het aantal honingbijkasten kan de reikwijdte van deze negatieve invloed voorspeld worden. Dat blijkt uit onderzoek van EIS Kenniscentrum Insecten op een drietal grote heideterreinen. Op basis van deze resultaten is een richtlijn geformuleerd.

In de nazomer staat de heide massaal in bloei. Imkers plaatsen daarom vaak hun honingbijenkasten op heideterreinen. Tegelijkertijd weten we dat honingbijen om voedsel concurreren met wilde bestuivende insecten, en dat vliegende insecten in Nederland sterk achteruit zijn gegaan, ook in natuurgebieden als heideterreinen. In hoeverre heeft het plaatsen van honingbijkasten op heideterreinen een negatief effect op de aanwezige wilde bestuivers? Deze vraag stond centraal in een nieuw onderzoek.

Onderzoeksopzet
In opdracht van het Rijksvastgoedbedrijf is een drietal heideterreinen van het Ministerie van Defensie onderzocht om na te gaan of er sprake is van concurrentie tussen honingbijen en wilde bestuivers en zo ja in welke mate. Dit is gedaan aan de hand van waarnemingen van dichtheden honingbijen en wilde bestuivers in onderzoekplots van 50x50 meter op verschillende afstanden van de honingbijkasten. Binnen deze plots zijn gedurende 45 minuten alle aanwezige bestuivers, inclusief honingbijen, per soort geteld. Voor de analyse zijn deze resultaten omgerekend naar dichtheden: aantal individuen per vierkante meter bloeiende heide. 

Meer honingbijen: minder wilde bestuivers
Uit dit onderzoek blijkt dat de dichtheid aan honingbijen afneemt met de afstand tot de dichtstbijzijnde honingbijkasten en de dichtheid aan wilde bestuivers juist ongeveer even sterk toeneemt met de afstand. Als gevolg neemt de verhouding wilde bestuivers / honingbijen toe met de afstand en dit verband is sterk significant. De conclusie luidt dan ook dat de dichtheid wilde bestuivers duidelijk waarneembaar en statistisch significant samenhangt met de aanwezigheid van honingbijkasten en de afstand daartoe.

Meer honingbijkasten hebben meer en verder invloed, maar op grond van theoretische overwegingen is het verband tussen de dichtheid honingbijkasten en de negatieve invloedssfeer niet lineair. De waarnemingen in het veld ondersteunen dit (zie grafiek). Dit model met aangegeven onzekersheidsmarges wordt verder gebruikt om tot een richtlijn te komen.

Keuzes in beleid
Zelfs bij enkele honingbijkasten is bovengenoemd negatief verband met de dichtheid van wilde bestuivers gevonden, zij het op een kleiner gebied dan bij veel honingbijkasten. Wanneer het beleidsmatige uitgangspunt zou zijn dat er geen enkel negatief effect mag optreden op de natuur, is het gevolg dat er geen honingbijkasten geplaatst kunnen worden. Terreineigenaren die wel honingbijkasten willen toelaten, zullen zichzelf de vraag moeten stellen in welke mate zij negatieve effecten willen accepteren. Dit is een beleidsmatige en geen wetenschappelijke vraag.

Richtlijn voor heideterreinen
Aan de hand van het theoretische model en de beleidsuitgangspunten, kan een richtlijn voor het maximum aantal honingbijkasten opgesteld worden.
Deze richtlijn gaat uit van een aantal aspecten:

  • traditie van het plaatsen van honingbijkasten op het terrein;
  • de grootte van het terrein;
  • de oppervlakte bloeiende heide;
  • het aantal locaties met honingbijkasten;
  • het maximale aandeel van het terrein waarop concurrentiedruk op de wilde bestuivers wordt geaccepteerd.

Voor natuurterreinen zou het aandeel van de oppervlakte waarop concurrentiedruk wordt geaccepteerd naar ons oordeel en uitgaande van het voorzorgsbeginsel maximaal 25 % mogen zijn.

Op deze pagina is een invulformulier te vinden waarin de bovenstaande waarden ingevuld kunnen worden, waarbij het maximale aantal te plaatsen honingbijkasten gegeven wordt volgens deze richtlijn. Let wel, hoe meer locaties met honingbijkasten, des te hoger de druk op het heideveld en daarom des te lager het aanbevolen aantal kasten in totaal.

Het rapport over dit onderzoek, inclusief de richtlijn en een beslisboom voor de plaatsing van honingbijkasten is hier te downloaden.

Tekst & illustraties: John Smit & Theo Zeegers EIS Kenniscentrum Insecten