Oorzaken

Oorzaken achteruitgang wilde bijen

Er is in de afgelopen 100 jaar veel veranderd in het Nederlandse landschap, bijvoorbeeld door de manier en schaal waarop we landbouw bedrijven, verstedelijking en veranderingen in het natuurbeheer. Deze veranderingen hebben invloed op de bijenfauna. Niet alleen in ongunstige zin, maar omdat over het geheel gezien sprake is van een achteruitgang van de bijenfauna wordt hieronder vooral op de negatieve veranderingen ingegaan. Deze veranderingen zijn blijkbaar het meest bepalend voor de bijendiversiteit.

 

Schaalvergroting landbouw

Een veelgenoemde boosdoener in verband met de achteruitgang van bijen is de landbouw. En dan vooral de intensieve versie hiervan, die vanaf pakweg halverwege de 20e eeuw in rap tempo het Europese landschap heeft veranderd. Deze intensivering van de landbouw ging gepaard met een drastische schaalvergroting, aanvankelijk grotendeels via ruilverkaveling. Hierbij ruilden grondeigenaars stukken land met elkaar, waardoor grote percelen ontstonden, die efficiënter bewerkt en benut konden worden. Gevolg hiervan was dat allerlei erfafscheidingen en 'overhoekjes' uit het landschap verdwenen, zoals houtwallen, heggen, zomen, singels, struwelen, hekjes en  greppels. Dergelijke kleine landschapselementen zijn van groot belang voor bijen, omdat zij voor een kleinschalige mozaïek van voedselbronnen en nestelgelegenheid zorgen. Voor bijen moeten deze elementen op korte afstand van elkaar aanwezig zijn, omdat zij vaak op en neer van nest naar voedselbron moeten vliegen.

 

Een grootschaliger en intensiever door de mens gebruikt landschap zorgt dus voor habitatverlies voor bijen, en dit wordt wereldwijd als belangrijke oorzaak van de achteruitgang van bijen gezien (Brown & Paxton 2009, Winfree et al. 2009, Potts et al. 2010). Dat dit ook in Nederland zo is, mag duidelijk zijn uit het feit dat meer dan de helft van de oppervlakte van ons land in gebruik is voor land- en tuinbouw (bron: Compendium voor de Leefomgeving).

Vermesting


Vermesting is de verrijking van bodem en water met meststoffen (stikstof- en fosfaatverbindingen). Dit gebeurt bijvoorbeeld doordat boeren hun weilanden bemesten en doordat de intensieve veehouderij veel meststoffen uitstoot in de lucht, die vervolgens via neerslag in de bodem terechtkomt. De bodem wordt dus voedselrijker, waardoor bepaalde planten harder kunnen groeien dan andere. Afhankelijk van andere factoren zijn dit bijvoorbeeld grassen, brandnetels of mossen. In het algemeen groeit er op zeer voedselrijke bodems slechts een beperkt aantal plantensoorten en bloeien er weinig bloemen. Voor bijen en andere bloembezoekers is dit natuurlijk ongunstig. Zie verder hieronder bij Bloemarmoede.

 

Bloemarmoede


Zoals hierboven beschreven onder Schaalvergroting landbouw is het Nederlandse landschap grootschaliger geworden en is sprake van sterke vermesting. Beide ontwikkelingen hebben geleid tot minder bloemen in het landschap, zoals in de betreffende teksten is uitgelegd. Maar in hoeverre is dit nu daadwerkelijk een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van de Nederlandse bijen? Enkele recente onderzoeken laten zien dat dit inderdaad zo is, zoals hieronder in chronologische volgorde wordt samengevat.

 

Parallelle afname bijen en door bijen bestoven planten

Biesmeijer et al. (2006) vonden niet alleen een afname in bijenrijkdom in Nederland en Groot-Brittannië, ook vonden zij een afname in diversiteit van door bijen bestoven planten. Planten die niet afhankelijk zijn van bestuiving door bijen zijn niet afgenomen. Verder waren bijensoorten met gespecialiseerde dieetwensen sterker afgenomen dan generalistische soorten. De afnames in diversiteit van bijen en door bijen bestoven planten bleken in dezelfde gebieden voor te komen. Er lijkt dus een verband tussen deze twee te zijn. De resultaten gaven niet aan of de bijenafnames de oorzaak waren van de afnames in plantenrijkdom, of andersom.


Terugkijken in de tijd: stuifmeel op museumhommels

Kleijn & Raemakers (2008, 2012) onderzochten het stuifmeel aan de poten van opgeprikte hommels in museumcollecties. Deze behoorden tot vijf soorten hommels die achteruit zijn gegaan en vijf die stabiel zijn gebleven. Met microscopisch onderzoek konden de onderzoekers achterhalen van welke plantensoorten de dieren stuifmeel hadden verzameld. Ze deden dit met hommels die vóór 1950 in Nederland verzameld waren. Het idee hierachter was dat hommels toen nog een ruime keuze aan voedselplanten hadden, omdat de grote veranderingen in het Nederlandse landschap nog moesten plaatsvinden. Het stuifmeel geeft dus een betere weerspiegeling van hun voorkeuren dan stuifmeel op hommels die nu rondvliegen. Ze vergeleken de samenstelling van het stuifmeel van de afgenomen hommelsoorten met dat van de stabiele en vonden interessante verschillen. De afgenomen hommels bleken hun stuifmeel vóór 1950 op minder verschillende plantensoorten verzameld te hebben dan stabiele hommelsoorten. De afgenomen hommelsoorten waren dus kieskeuriger. Bovendien bleken de plantensoorten waarop de afgenomen hommels hun stuifmeel verzamelden eveneens te zijn afgenomen, in tegenstelling tot de planten waarop stabiel gebleven hommelsoorten stuifmeel verzamelden. Deze afname in plantenrijkdom hangt samen met veranderingen in het landgebruik, zoals de intensivering van de landbouw en het in onbruik raken van klaverachtige planten als voedergewassen.

 

Verband bloemvoorkeuren,  lichaamsgrootte en vliegtijd

Scheper et al. (2014) onderzochten net als Kleijn & Raemakers (zie hierboven) het stuifmeel aan de poten van opgeprikte bijen. Naast hommels onderzochten zij een groot aantal andere wilde bijensoorten. Van alle soorten noteerden zij bovendien eigenschappen als lichaamsgrootte en de duur van hun vliegseizoen.

 

De onderzoekers vonden een duidelijk verband tussen de trends van bijensoorten en die van de planten waarop zij stuifmeel verzamelden: afgenomen bijen hadden een voorkeur voor plantensoorten die eveneens zijn afgenomen. Opvallend vaak bleken de afgenomen bijen een voorkeur te hebben voor klaverachtigen (vlinderbloemen) en lipbloemen. Dit zijn planten die in het agrarisch gebied sterk achteruit zijn gegaan als gevolg van veranderde landbouwpraktijken.

 

De onderzoekers vonden ook een verband tussen achteruitgang en lichaamsgrootte: grote bijensoorten zijn sterker achteruitgegaan dan kleine. Dit heeft mogelijk ook te maken met een afname in het voedselaanbod, aangezien grote bijensoorten een grotere voedselbehoefte hebben.

 

Er blijkt ook een verband te bestaan tussen achteruitgang en de periode in het jaar waarin de bijensoort actief is. Soorten die vooral in het voorjaar vliegen, zijn gemiddeld minder sterk achteruitgegaan dan soorten die in de zomer actief zijn. De onderzoekers wijten dit aan een (met cijfers onderbouwde) verminderde beschikbaarheid van bloemen in de zomer in agrarische landschappen. 

 

Ook in het buitenland wordt 'bloemarmoede' in het algemeen en de afname van klaverachtigen in het bijzonder genoemd als belangrijke factor in de achteruitgang van bijen. Langtongige hommels, die graag foerageren op klaverachtigen, hebben het hierdoor extra moeilijk en gaan sterker achteruit. Dit werd reeds vermoed door Rasmont et al. (2005) en Goulson (2009) en is bevestigd in Denemarken door Dupont et al. (2011) en in Zweden door Bommarco et al. (2011). Ook de hierboven besproken Nederlandse resultaten van Scheper et al. (2014) ondersteunen dit.

 

Bestrijdingsmiddelen

 

In de landbouw wordt gebruik gemaakt van kunstmatige middelen om schadelijke insecten, schimmels en 'onkruiden' tegen te gaan. Door de intensivering van de landbouw in de 20e eeuw is het gebruik van deze pesticiden sterk toegenomen. Ook worden pesticiden gebruikt in stedelijk 'onkruidbeheer' en in tuinen.  Er leven veel zorgen over de invloed van dit pesticidengebruik op zowel de gedomesticeerde honingbij als de wilde bijenfauna.

Er zijn diverse onderzoeken die negatieve effecten van insecticiden (gif tegen insecten) op bijen aantonen (bijvoorbeeld Brittain et al. 2010, Sandrock et al. 2013, Easton & Goulson 2013, Van der Sluijs et al. 2013Feltham et al. 2014). Dit is natuurlijk niet verrassend, aangezien deze middelen juist tegen (plaag)insecten worden ingezet. Maar wat is de invloed van dit gifgebruik op de bestuiverspopulaties buiten de gebieden waar ze worden gebruikt? In hoeverre spelen deze middelen een rol in de achteruitgang van de Nederlandse bestuiversfauna? Deze vragen zijn lastig te beantwoorden en onderwerp van hevige discussie en lopend onderzoek. De artikelen van Goulson (2013), Godfray et al. (2014) en Hallmann et al. (2014) geven aan dat er zeker reden is tot zorg. 

 

Klimaatverandering

 

Circa 60% van de bijensoorten die toenemen heeft een zuidelijke verspreiding. De acht soorten die zich sinds 1990 in Nederland gevestigd hebben (zie hier), zijn zelfs allemaal zuidelijke soorten. Dit lijkt te duiden op een sterke invloed van de klimaatverandering op de Nederlandse bijenfauna. Het is moeilijk om deze invloed te scheiden van eventuele andere factoren, zoals veranderingen in het Nederlandse landschap. Aangezien er in Europa veel meer bijensoorten zijn met een zuidelijke verspreiding dan met een noordelijke, valt er vooralsnog geen negatieve invloed van de opwarming van het klimaat op de Nederlandse bijendiversiteit te verwachten. 


Waarom gaat het met hommels extra slecht?

 

Hoe komt het dat hommels nog sterker achteruit zijn gegaan dan andere wilde bijen? Vermoedelijk heeft dit te maken met hun sociale levenswijze. Hommels moeten gedurende het jaar een kolonie opbouwen, dus van het vroege voorjaar tot ver in de zomer moet voldoende voedsel beschikbaar zijn in de nabijheid van het nest. Korte onderbrekingen in het bloemaanbod, bijvoorbeeld door ongunstig maaibeheer, kunnen funest zijn voor een hommelkolonie. Mogelijk zijn er voor hommels in het huidige dynamische en versnipperde Nederlandse landschap te veel onderbrekingen in voedselaanbod om de reproductie rond te kunnen krijgen. Solitaire wilde bijen hebben meestal gedurende kortere perioden in het jaar bloemen nodig, dus deze hebben minder snel last van een kleiner (kortstondiger) voedselaanbod dan hommels.

Waarom zijn sommige hommels sterk afgenomen en andere stabiel gebleven? Dit heeft mogelijk deels een populatiegenetische oorzaak. Maebe et al. vonden dat de genetische variatie in de periode 1918-1926 groter was bij hommelsoorten die toen wijd verspreid waren en sindsdien stabiel zijn gebleven, zoals akkerhommel en steenhommel. Hommelsoorten die in die periode net zo wijd verspreid waren maar sindsdien achteruit zijn gegaan, zoals moshommel en zandhommel, bleken reeds toen over significant minder genetische variatie te beschikken. 

 

Concurrentie met honingbijen

 

De beperkte beschikbaarheid van stuifmeel en nectar veroorzaakt voedselconcurrentie tussen alle soorten bestuivende insecten. Er bestaan daarom zorgen over de mate waarin honingbijen concurreren met wilde bestuivers, zoals wilde bijen en zweefvliegen. De honingbij wordt immers in grote volken gehouden en verzorgd door imkers, waardoor ze een 'oneerlijke' uitgangspositie hebben ten opzichte van wilde bestuivers. Lees meer hierover op de pagina Concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen.

 

Hoewel grote aantallen honingbijen de plaatselijke wilde bijenfauna nadelig kunnen beïnvloeden, is dit vergeleken met andere zaken waarschijnlijk een minder bepalende factor in de achteruitgang van wilde bijen in Nederland. Het aantal honingbijenvolken is de afgelopen decennia gedaald, net als de diversiteit van de Nederlandse wilde bijen. Voor een deel zitten honingbijen en wilde bijen in hetzelfde schuitje: beide hebben last van de bloemenarmoede in het Nederlandse landschap en mogelijk ook van gifgebruik in landbouw en stedelijk gebied.

 

Gevaren van gekweekte bijen

 

Gedomesticeerde en gekweekte bijen dragen letterlijk gevaren met zich mee voor wilde bestuivers. Recent Engels onderzoek heeft aangetoond dat honingbijen ziekteverwekkers overdragen op wilde hommels, zoals de Nosema-parasiet en het Deformed Wing Virus (DWV). Deze besmetting vindt vermoedelijk plaats via de bloemen waarop de bijen foerageren. Mogelijk speelt de beruchte Varroa-mijt, die veel schade toebrengt aan honingbijen, ook een rol bij deze overdracht van ziekteverwekkers. 

Ook commercieel gekweekte en verhandelde hommels lijken bij te dragen aan de verspreiding van ziektes onder wilde hommels, zoals blijkt uit een ander Engels onderzoek, evenals uit onderzoek in andere werelddelen.

In hoeverre deze besmetting van wilde bijen door gedomesticeerde bijen effect heeft op hun populaties is niet bekend. 

Lees meer in Effects of introduced bees on native ecosystems

 

Meer lezen

Meer lezen over de oorzaken van de achteruitgang van wilde bijen? Zie onderstaande artikelen en de verwijzingen hierin.

 

Meer lezen:

In veel Nederlandse agrarische landschappen komen nauwelijks bijen voor als gevolg van overbemesting, intensief landgebruik, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en ongunstig maaibeheer. Foto Ivo Raemakers.


Dankzij deze wegberm zijn er toch nog bloemen te vinden in dit verder volledig bloemloze landbouwgebied. Foto Menno Reemer.

Kleijn & Raemakers (2008, 2012) onderzochten het stuifmeel aan de poten van hommels in museumcollecties. Bij stabiel gebleven hommelsoorten (in de grafiek links) was de samenstelling van dit stuifmeel anders dan bij afgenomen hommelsoorten (rechts). De plantensoorten waarvan afgenomen hommels stuifmeel hadden verzameld zijn gemiddeld achteruitgegaan in Nederland (trend van planten weergegeven op y-as). Plantensoorten die door de stabiele hommels zijn bezocht, zijn gemiddeld stabiel gebleven.

 

Ook Scheper et al. (2014) vonden een verband tussen de achteruitgang van bijensoorten en de bloemen die zij bezoeken. Vooral soorten met een voorkeur voor vlinderbloemen (Fabaceae) en lipbloemen (Lamiaceae) blijken negatieve trends te hebben. Klik op figuur voor grote versie.

Deze figuur uit Scheper et al. (2014) laat zien dat bijensoorten die in de zomer vliegen vaker geassocieerd zijn met plantensoorten die achteruit zijn gegaan dan bijensoorten die in het voorjaar vliegen. Het rechterdiagram weerspiegelt de bloemenrijkdom van het agrarisch gebied in mei en juli. Klik op figuur voor vergroting.

Over bestuivers.nl

Bestuivers.nl is een initiatief van EIS Kenniscentrum Insecten en is bedoeld als centraal punt voor kennis en informatie over wilde bestuivers in Nederland, met nadruk op wilde bijen en zweefvliegen. De website is mede tot stand gekomen dankzij het Sayers Fonds van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Over EIS

EIS Kenniscentrum Insecten is het kenniscentrum voor insecten en andere ongewervelden. De stichting doet onderzoek en geeft adviezen over beleid en beheer. Daarnaast houden we ons bezig met voorlichting en educatie. Bezoek hier onze website.

  

Contact

EIS Kenniscentrum Insecten 
Postbus 9517 
2300 RA Leiden 
(+31) 071 7519314 
eis@naturalis.nl   

Bezoekadres 
Vondellaan 55
Leiden