Samenvatting concurrentie

Samenvatting recente onderzoeken concurrentie honingbijen en wilde bijen

De opvattingen over de mate waarin de honingbij de wilde bijenfauna beconcurreert lopen sterk uiteen. Volgens de één is het een serieus probleem, volgens de ander valt het allemaal wel mee. Aan beide kanten zijn de opvattingen vaak gebaseerd op anekdotische informatie en matig onderbouwde aannames. Toch is er in recente jaren wel wat wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp verricht. Hieronder volgt in chronologische volgorde van publicatie een samenvatting van enkele relevante recente onderzoeken in West-Europa. Er bestaan diverse studies over de effecten van de introductie van honingbijen in andere werelddelen (zie bijvoorbeeld Goulson 2003),  maar deze blijven hier buiten beschouwing, omdat de omstandigheden in die delen van de wereld mogelijk niet vergelijkbaar zijn met die in Nederland.

Duits onderzoek: geen effect bij 'normale' dichtheden honingbij

 

In Duitsland onderzochten Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) de effecten van variërende dichtheden van honingbijen op de wilde bijenfauna in 15 kalkgraslanden gelegen in intensief agrarisch landschap. Het aantal bijenkasten binnen een straal van 2 km varieerde per grasland van drie tot 65, waarbij op enkele graslanden de kasten op het grasland zelf geplaatst werden. De gemiddelde oppervlakte van de graslanden was 4,3 hectare. Het onderzoek liep van april tot augustus.

In de 15 onderzoeksgebieden werd de wilde bijenfauna op drie manieren gemeten: (1) slepen met net over vaste transecten om aantallen soorten en exemplaren vast te stellen; (2) plaatsing van kunstnesten (bijenhotels) om reproductief succes te kunnen meten; (3) op 10 plekken van 1x1 meter werden de nestingangen van bodemnestelende bijen geteld om populatiedichtheden te meten. Ook de dichtheden van honingbijen werden op alle graslanden op gestandaardiseerde wijze gemeten. Verder werden voor zowel honingbijen als wilde bijen de bezochte bloemen bijgehouden, teneinde de overlap in 'bloemgebruik' te bepalen.

Honingbijen bleken in hoge mate dezelfde bloemen te bezoeken als wilde bijen. Desondanks vonden de onderzoekers geen significante correlaties tussen de dichtheden van honingbijen en de wilde bijenfauna (gemeten zoals hierboven omschreven). Wel bleek de wilde bijenfauna een positief verband te vertonen met de dichtheid aan bloeiende planten.

De onderzoekers concluderen dat zij geen significante mate van voedselconcurrentie konden aantonen tussen honingbijen en wilde bijen. Toch raden zij aan om voorzichtig te zijn met plaatsing van bijenkasten in natuurgebieden. Hierbij zou het Europese gemiddelde van 3,1 bijenkast per vierkante kilometer niet overschreden moeten worden.

 

Minder hommels op Engelse heides met honingbijen

 

Forup & Memmott (2005) onderzochten 19 droge heidegebieden in Engeland. Op vaste transecten telden zij de hommels en de honingbijen en hielden hiervan het bloembezoek bij. Daarnaast voerden zij intensievere tellingen uit in vier van de gebieden.

In heidegebieden met veel honingbijen bleken hommels duidelijk minder talrijk te zijn dan in gebieden met weinig honingbijen. Ook leken hommels bij aanwezigheid van honingbijen op andere soorten bloemen te foerageren. Dit laatste effect werd vooral voor langtongige hommels gevonden, niet voor korttongige.

 

Aanpassingen foerageergedrag hommels bij meer honingbijen

 

Walther-Hellwig et al. (2005) experimenteerden met de plaatsing van bijenkasten in hun Duitse onderzoeksgebied om de effecten van honingbijen op de aanwezigheid en het bloembezoek van hommels te onderzoeken. Hiertoe werden bij variërende aantallen bijenkasten de honingbijen en hommels geteld op bloemen van Phacelia en verschillende soorten wilde planten.
Hommelsoorten uit de 'aardhommelgroep' bleken in Phacelia-velden ontwijkend gedrag te vertonen bij toenemende aanwezigheid van honingbijen. Ze gingen verder van de bijenkast foerageren en op plekken met een lagere bloemdichtheid. Op wilde bloemen vertoonde deze 'aardommel'-soorten geen reactie op toegenomen aanwezigheid van honingbijen, terwijl andere hommels (steenhommels en langtongige hommels) later op de dag gingen foerageren, minder op koninginnekruid en meer op rolklaver.

Dit onderzoek toont aan dat hommels verschillende aspecten van hun foerageergedrag aanpassen bij toenemende competitie met honingbijen. Welke aspecten dit zijn, verschilt per soortgroep en vermoedelijk zelfs per hommelsoort.

 

Honingbij zorgt voor kleinere hommels in Schotland

 

In Schotland onderzochten Goulson & Sparrow (2009) de lichaamsgrootte van hommelwerksters op willekeurig geselecteerde plekken (binnen een vooraf afgebakend studiegebied) met en zonder honingbijen. Ze onderzochten vier soorten hommels: aardhommel, veldhommel, akkerhommel en steenhommel. Bij alle vier de hommelsoorten vonden ze dat de werksters significant kleiner waren in gebieden met honingbijen dan in gebieden zonder honingbijen.

De volgens de onderzoekers meest waarschijnlijke verklaring voor de geringere lichaamsgrootte is een verminderde beschikbaarheid van voedsel als gevolg van de aanwezigheid van honingbijen. De hommelwerksters zouden als larve minder voedsel gekregen hebben en daardoor kleiner gebleven zijn. Op basis van eerder onderzoek naar hommelecologie maken ze aannemelijk dat een hommelnest met kleinere werksters ook minder succesvol is in reproductie dan een nest met grotere werksters. Zo wordt aannemelijk dat hommels inderdaad een negatief effect ondervinden van de aanwezigheid van honingbijen.

In dit onderzoek zijn geen gegevens over de dichtheid aan bijenkasten in de onderzoeksgebieden betrokken. De resultaten kunnen dus niet gebruikt worden bij het zoeken naar richtlijnen voor maximaal wenselijke dichtheden van bijenkasten.

 

Effecten op specialisten van struikheide in Lüneburger Heide

 

Op de Duitse Lüneburger Heide onderzochten Hudewenz & Klein (2013) de effecten van de aanwezigheid van bijenkasten op de wilde bijenfauna. Ze keken hierbij naar bloembezoek op struikheide en naar de dichtheden van zowel bodemnesten als stengelnesten. Deze variabelen werden gemeten op plekken met en zonder bijenkasten, en op plekken met variërende afstanden tot bijenkasten (tot 1229 meter).

Dit onderzoek vond geen correlatie tussen de afstand tot de dichtstbijzijnde bijenkast en het aantal bloembezoeken op struikheide door wilde bijen, evenmin tussen deze afstand en het aantal bodemnesten van wilde bijen. Ook werd geen verband aangetoond tussen het aantal bloembezoeken door honingbijen en het aantal bloembezoeken door wilde bijen. Wel werden minder bloembezoeken door wilde bijen vastgesteld in gebieden met bijenkasten dan in gebieden zonder bijenkasten (een factor van ca. 4). Ook bleken er gemiddeld iets minder (ca. 0,3) stengelnestelende bijensoorten te nestelen in gebieden met bijenkasten dan in gebieden zonder. Dit verschil is echter zo gering dat onduidelijk is welke waarde eraan gehecht moet worden. Het enige overtuigend aangetoonde effect in deze studie was dus een verminderd bloembezoek door wilde bijen in terreinen met bijenkasten.

 

Aanwezigheid honingbijen leidt tot minder reproductie rosse metselbijen

 

Hudewenz & Klein (2015) voerden een experiment uit in 12 gestandaardiseerde kooien met bloemen en kunstmatige nestelplekken voor  osse metselbijen. In elke kooi waren 38 rosse metselbijen aanwezig en werd met drie verschillende aantallen honingbijen gewerkt: 0, 100 en 300, waarvan 10-20% uit foeragerende individuen bestond. Deze drie behandelingen werden elk in vier kooien herhaald. Gedurende enkele weken werden in alle kooien waarnemingen verricht aan de aantallen bloembezoeken door rosse metselbijen en honingbijen. Ook werden de aantallen nesten en nestcellen van de rosse metselbijen geteld. 

Rosse metselbijen bleken minder bloemen te bezoeken wanneer honingbijen aanwezig waren. Ook bezochten ze minder verschillende soorten bloemen. Dit bleek tot een aanzienlijk lagere reproductie te leiden: bij 100 honingbijen was het aantal nestcellen van rosse metselbijen drie maal lager dan bij nul honingbijen, en bij 300 honingbijen was het aantal nestcellen zelfs tot nul gedaald.  

 

Discussie

 

Samenvattend werd in de volgende onderzoeken een effect gevonden van de aanwezigheid van honingbijen op de wilde bijenfauna:

·         Forup & Memmott (2005): minder hommels in heidegebieden met honingbijen dan in heidegebieden zonder honingbijen. In gebieden met honingbijen foerageerden hommels op andere bloemen dan in gebieden zonder honingbijen.

·         Walther-Hellwig et al. (2006): hommels wijzigen foerageergedrag bij toenemende competitie met honingbijen. Afhankelijk van de hommelsoort gaan ze op andere tijdstippen op de dag, op andere plaatsen en/of op andere bloemen foerageren.

·         Goulson & Sparrow (2009): hommelwerksters in gebieden met honingbijen zijn kleiner dan in gebieden zonder honingbijen. Dit heeft vermoedelijk negatieve gevolgen voor het reproductiesucces.

·         Hudewenz & Klein (2013): in heidegebieden met bijenkasten bezoeken minder wilde bijen de bloemen van struikheide. De eventuele gevolgen hiervan op de wilde bijenfauna zijn niet duidelijk.

·         Hudewenz & Klein (2015): meer honingbijen leidt tot lagere reproductie van rosse metselbijen in kooiexperiment.

 

Van de hierboven samengevatte artikelen melden alleen Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) geen gemeten effect van honingbijen op wilde bijen. Uit het feit dat in meerdere studies een effect gevonden wordt van de aanwezigheid van honingbijen op de wilde bijenfauna mag wel geconcludeerd worden dat inderdaad sprake is van competitie. De wijze waarop deze competitie aan het licht komt evenals de mate waarin is afhankelijk van de gemeten variabelen (zoals aantal bodemnesten, aantal bloembezoeken, lichaamsgrootte hommelwerksters, aantal nestcellen). Ook zal de dichtheid aan honingbijen bepalend zijn voor de mate waarin dit effect optreedt, maar hierin zijn de onderzoeken helaas slecht vergelijkbaar. In het ene onderzoek wordt gerekend met de afstand tot de dichtstbijzijnde bijenkast, in het andere met de dichtheid aan bijenkasten per vierkante kilometer of met het aantal bloembezoekende honingbijen in een studiegebied. Alleen Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) gebruiken hiervoor een maat die concreet te vertalen valt naar een plaatsingsadvies (zie pagina Adviezen).

 

Meer lezen


De volgende Nederlandstalige artikelen behandelen uitgebreid de verschillende aspecten van de discussie over concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen, zoals deze de afgelopen jaren in Nederland heeft gewoed:

 

Cornelissen & Visser (2011): Concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen

 

Van der Spek (2012): Effecten van honingbijen, Apis mellifera, op insecten in natuurterreinen

Over bestuivers.nl

Bestuivers.nl is een initiatief van EIS Kenniscentrum Insecten en is bedoeld als centraal punt voor kennis en informatie over wilde bestuivers in Nederland, met nadruk op wilde bijen en zweefvliegen. De website is mede tot stand gekomen dankzij het Sayers Fonds van het Prins Bernhard Cultuurfonds.

Over EIS

EIS Kenniscentrum Insecten is het kenniscentrum voor insecten en andere ongewervelden. De stichting doet onderzoek en geeft adviezen over beleid en beheer. Daarnaast houden we ons bezig met voorlichting en educatie. Bezoek hier onze website.

  

Contact

EIS Kenniscentrum Insecten 
Postbus 9517 
2300 RA Leiden 
(+31) 071 7519314 
eis@naturalis.nl   

Bezoekadres 
Vondellaan 55
Leiden