Landelijke monitoring bestuivers

Nationale Bestuivers Monitoring 2025-2026

Het gaat slecht met onze bestuivers, zoals bijen en zweefvliegen. Maar hoe slecht precies? Daar zijn geen goede landelijke cijfers over. Daarom is de Nationale Bestuivers Monitoring in 2025 van start gegaan. EIS Kenniscentrum Insecten voert deze opdracht uit voor het ministerie van LVVN en werkt daarbij samen met het CBS.

Het onderzoek

Belangrijk voor mens en natuur
Bestuivers zitten in zwaar weer. Wilde bijen, zweefvliegen, dag- en nachtvlinders zijn de afgelopen decennia hard achteruitgegaan. Maar liefst 55% van alle bijensoorten, 46% van alle zweefvliegen en 62% van alle dagvlinders staat op de Rode Lijst in Nederland. En dat terwijl deze insecten van groot belang zijn voor onze voedselvoorziening en voor natuurlijke ecosystemen. Zo is ruim driekwart van alle voedselgewassen afhankelijk van bestuiving
door insecten. Bovendien zijn veel larven van zweefvliegen belangrijke predatoren van plaaginsecten zoals bladluizen.
- Meer over bijen vind je hier.
- Meer over zweefvliegen hier.

Hoe gaat het onderzoek in de praktijk?
In de Nationale Bestuivers Monitoring bezoeken medewerkers van EIS Kenniscentrum Insecten in totaal 140 locaties verspreid door het land. Elke locatie krijgt vijf bezoeken van een medewerker in de lente en zomer. Tijdens het bezoek kijkt de medewerker twee uur lang met een netje welke soorten aanwezig zijn. Langs drie routes worden alle aantallen per soort precies geteld.

Bijen en zweefvliegen
Nederland telt zo’n 360 soorten wilde bijen en ruim 330 soorten zweefvliegen. Voor dag- en nachtvlinders bestaat al jaren een uitgebreid meetnet vanuit de Vlinderstichting, maar voor wilde bijen en zweefvliegen is er nog geen monitoringsprogramma. Daarom is deze pilot opgezet. De meetlocaties liggen verspreid over heel Nederland, zodat we een totaalbeeld krijgen van de populaties van deze groep insecten. We tellen alle wilde bijen en zweefvliegen in een vierkante kilometer van een gebied. Dat doen we in allerlei landschappen: van stad tot boerenland, en van laagveenmoeras tot heide en bos.

De Europese natuurherstelwet
Ook de Europese Unie vindt het herstel van wilde bestuivers belangrijk. Volgens de Europese Natuurherstelwet moeten EU-lidstaten ervoor zorgen dat de populaties en soortenrijkdom van bestuivers per 2030 niet langer afnemen (Natuur Herstel Verordening, Artikel 10) . In de jaren daarna moeten bestuivers zich in aantal en diversiteit herstellen (toenemen). Om die toe- of afname te kunnen meten moet elk land de bestuivers gaan tellen. In Nederland hebben we daarnaast de Nationale Bijenstrategie (2018) en de motie-Vestering (Tweede Kamer, 19 april 2023), die met aanvullende adviezen en verplichtingen komen rondom de monitoring en het herstel van bestuivers.

Partners
EIS Kenniscentrum Insecten werkt in dit project samen met het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) en Wageningen Environmental Research (WENR). Het CBS berekent de trends op basis van de telgegevens, WENR is betrokken bij de coördinatie en verslaglegging van het project. De pilot loopt van 2025 tot en met 2026. Vanaf 2027 moeten bestuivers op grond van de Europese Natuur Herstel Verordening jaarlijks gemonitord worden.

Veelgestelde vragen voor terreineigenaren

Voor nieuwe deelnemers

Wat zijn de verwachtingen/ verplichtingen voor mij als terreineigenaar?
Als u kiest om met ons samen te werken in de Nationale Bestuivers Monitoring, vragen we u om toegang tot uw terrein (agrarisch erf en percelen, of natuurterrein). Daarnaast is het fijn als u de medewerker laat weten of er veiligheidsrisico’s zijn (bv. stieren, loslopende (waak)honden of verboden terrein). Verder hoeft u niets te doen.

Wat mag ik van EIS Kenniscentrum Insecten verwachten?
Een medewerker komt één keer per maand van april t/m augustus (dus 5 keer per jaar) op uw terrein om de bestuivers te tellen. Bij aanvang kunt u afspreken om eerst kennis te maken. Ook kunt u de medewerker vragen om een bericht te sturen voordat die uw terrein bezoekt, als u dat op prijs stelt. Daarnaast sturen we u de resultaten aan het einde van het jaar.

Wie komt er op mijn terrein?
Een medewerker van EIS Kenniscentrum Insecten of een aangesloten partnerorganisatie (LEU, Grauwe Kiekendief, FaunaX, AT-KB). We zorgen ervoor dat voorafgaand aan het eerste bezoek naam en contactgegevens van de veldmedewerker bij u bekend zijn. Als u een natuurbeheerder bent, vindt u deze gegevens in de vergunning.

Kan ik mijn deelname tussentijds opzeggen?
Dat zou jammer zijn en maakt het gedane onderzoek op uw locatie onbruikbaar. Het heeft daarom grote gevolgen voor de monitoring, omdat we in het lopende seizoen een nieuwe locatie moeten zoeken. We gaan daarom liever in gesprek als u problemen ervaart of als er iets verandert in uw situatie.

 

Veldwerk

Hoe telt EIS de bestuivers?
De wilde bijen en zweefvliegen op uw terrein tellen wij van april tot en met augustus, één keer per maand. Elk bezoek duurt 2 uur in totaal. Binnen die tijd loopt de onderzoeker drie routes van een kwartier, waarin die alle soorten en alle individuen per soort telt. Daarbuiten (de resterende 1 uur en 15 minuten) loopt de onderzoeker rond over het hele terrein om zo veel mogelijk soorten te scoren, zonder elk individu te tellen.

Hoe bepaalt EIS de telroutes?
Op de telroutes kijkt de onderzoeker 1,5 meter links en rechts om alle bijen en zweefvliegen te tellen. De medewerker bepaalt de telroutes in het eerste jaar dat die het terrein bezoekt. De drie routes worden per bezoek zo gekozen dat ze samen een representatief beeld geven van het hele terrein op dat moment, rekening houdend met de variatie in bloei, beheer, en begroeiing. Omdat het landschap over de loop van de seizoenen kan variëren, kan ook de locatie van de telroutes tussen de maanden variëren. Over de jaren liggen de routes in dezelfde maand wel steeds op dezelfde plaats (dus juni 2025 en juni 2026 zijn dezelfde routes), om trends te kunnen berekenen.

Vangen jullie de bestuivers ook?
Ja, soms is het nodig een bij of zweefvlieg met een netje te vangen om het beter te bekijken en de soort te bepalen. Daarna laten we het meestal weer vrij. In sommige gevallen is het ook nodig het dier te verzamelen (te doden en op te prikken) om het onder de microscoop te onderzoeken. We proberen dit tot een minimum te beperken en waar mogelijk met foto’s te werken.

 

Resultaten

Wanneer krijg ik de resultaten, en wat staat daarin?
U kunt de resultaten altijd direct online en bijna real-time inzien op waarneming.nl. Met behulp van de filters kunt u op zoek naar de waarnemingen die u interesseren, bijvoorbeeld van uw eigen terrein. Houdt er wel rekening mee dat waarnemingen tijdens het veldseizoen nog kunnen wijzigen, omdat medewerkers soms dieren onder de microscoop nakijken en de soortnaam corrigeren.
Aan het einde van het jaar krijgt u als terreineigenaar een PDF-bestand met een korte samenvatting voor uw terrein en de definitieve soortenlijst van waargenomen bijen en zweefvliegen. Daarbij geven we ook aan welke soorten op de Rode Lijst staan.
Natuurbeheerorganisaties krijgen daarnaast een Excel-bestand met alle waarnemingen, voor hun eigen database.

Kan ik ook de getelde aantallen per soort krijgen voor mijn terrein?
Ja, deze kunt u vinden op ons account op waarneming.nl. We delen de totalen per soort niet in de samenvatting voor uw terrein, omdat ze lastig te interpreteren zijn. Elk totaal van een soort is namelijk een optelsom van 3 routes en losse waarnemingen per maand, waarbij de routes bovendien verschillen tussen maanden. In onze analyses houden we daar rekening mee, maar in de communicatie naar terreineigenaren is dat ingewikkeld.

Kan EIS een duiding geven van de resultaten? / Hoe doet mijn terrein het ten opzichte van het gemiddelde? / Kan EIS advies op maat geven voor mijn terrein?
Deze vragen kunnen we helaas niet beantwoorden. De nationale monitoring heeft als doel om een landelijk beeld te krijgen van bestuivers en daarop landelijke trends te berekenen. Het is dus zo opgezet dat we genoeg locaties hebben om dat doel te bereiken. Als terreineigenaar levert u een belangrijke bijdrage aan dit landelijke doel.
Maar op locatieniveau is de steekproef te klein om uitspraken te doen. De aantallen individuen en soorten die we per locatie zien zijn te laag om locaties onderling op statistisch verantwoorde wijze met elkaar te vergelijken. Ook hebben verstorende invloeden zoals weer en moment van maaien te veel invloed op de resultaten van individuele percelen. Anders gezegd, de boer met de hoogste aantallen is niet noodzakelijk ‘de beste boer’.
Advies op maat is geen onderdeel van de opdracht vanuit het Ministerie LVVN, en het project is er daarom niet op ingericht. We hebben enorm veel locaties en advies op maat zou te veel extra tijd kosten. Algemene adviezen kunt u vinden op www.bestuivers.nl onder ‘Bescherming’ Mocht u behoefte hebben aan meer onderzoek en advies voor uw terrein, dan kunt u daar een aparte offerte voor aanvragen.